Over bedreiging, onze leuke buren en het gebrek aan een goddelijke ingeving.

emmer-hoofd_12-11-09“Mam, ik werd net door een jongen bedreigd, hij zou me neersteken!” Zoon 1 komt stuiterend binnen. Hij is nog heel, ik zie geen bloed, haal rustig adem … “We waren aan het fietsen, komt er zo een jochie van 13 voorbij die helemaal begint te schelden enzo … komt ie op me af met ‘Wil je vechten of zo? Ik steek je neer! Vecht dan, durf je niet?’ Maar ik bleef gewoon rustig en heb gezegd dat er een verschil is tussen niet durven vechten en gewoon geen strafblad willen…”

Zoon 2, gevolgd door de betrokken buurjongens, roept vanuit de gang “Ik heb hem van ‘m afgeduwd toen hij begon te slaan! Hij moet van mijn broer afblijven, dus heb hem echt wel een flinke douw verkocht!”  

Uiterlijk blijf ik kalm – uiteraard – maar intussen heeft mijn hartslag gevaarlijke hoogten bereikt, ratelen m’n hersenen op volle toeren en wedijvert mijn emotie met mijn verstand.

 

Het blijkt een knul uit de straat te zijn… Volwassen omstaanders hebben hem weggestuurd zodat zoonlief naar huis kon. Ik denk niet na – dit pik ik niet – “Waar woont die?” Hoogst verontwaardigd en vol strijdlust marcheer ik naar de moeder van dat spul.

Ergens, in die paar meters die onze voordeuren van elkaar scheiden, moet ik ietwat bij zinnen zijn gekomen want het lukt me om zonder verwijt even kort de situatie te schetsen en haar te bevragen naar haar kind. Even deinst ze achteruit. “Ik val je niet aan” zeg ik vriendelijk “Ik beschuldig je zoon nergens van: mijn kids hebben hun ervaring als waarheid en die van jou de zijne … de echte waarheid zal wel ergens in het midden liggen, maar ik dacht dat we als moeders maar beter 1 front kunnen vormen en het lijntje naar elkaar kort moeten houden.” (Waar ik die wijsheid vandaan haalde: ik heb geen idee, noem het maar een goddelijke ingeving.)

 

Buuf 1 blijkt in deze wijk te zijn opgegroeid. Heeft jaren in Den Haag gewoond maar kon nu eindelijk terug. Ze kennen haast iedereen uit de buurt. Haar zoon blijkt echter veel moeite te hebben met het verhuizen van de stad naar dit durp… al zijn vrienden heeft hij moeten achterlaten…  Daarnaast heeft hij een hele geschiedenis van persoonlijke moeiten en hindernissen.  Op school gaat het totaal niet goed, zeg maar gerust heel fout. En als er dan ook nog 5 pubers voor je gek op straat lopen te doen… Je zou van minder agressief worden. Maar moeder belooft hem aan te pakken.. Vervolgens belanden we in een geanimeerd gesprek en ik ontdek dat het echt een stel lieve, leuke, hardwerkende mensen zijn.  Zij hindoestaans, hij katholiek.  Ik vertel dat ik in het onderwijs zit, hier vlakbij werk en dat manlief als dominee maar 1 dag in de week wat te doen heeft 😛 – Dat gegeven is weer direct de aanleiding om het over het parkeerprobleem in de wijk te hebben… over hoe vervelend ze het vind dat buuf 2 hun straal negeert, dat vroeger haar zoon al verboden werd met haar te spelen omdat ze buitenlanders waren … en het idee volgt om een keer een straatfeest te organiseren…  dat doet de sfeer in de buurt misschien goed…

Ondertussen tikt de klok vrolijk 1,5 uur verder en zijn mijn pubers uitbundig en gezellig met 3 andere buurjongens een balletje aan het trappen alsof ze de topspelers van het WK zelve zijn. Het zonnetje schijnt – de lucht was geklaard – een mooi einde van de dag zou je denken…  Ja, tot die buuf 2 naar buiten stuift.  “Rotjongens! Rot op hier! Stelletje aso’s, maak dat je oprot!” 

 

“Oh! Moet je er niet heen?”

“Nee hoor, mijn kids zijn 16 en 14: ik wil eerst even zien hoe ze dit oplossen.”  

Ze schuifelt even zenuwachtig heen en weer. We horen 1 van de jongens (niet de mijne) een brutale sneer geven en zien zoon 1 rustig naar hem toelopen en hem terugduwen tot naast onze schuur, uit het zicht van de kokende dame.  Ik krijg geen kans om trots te zijn dat hij zo rustig en volwassen reageert. “Dat achterlijke gevoetbal van jullie ook! Jullie maken alles kapot met dat gestamp. Rot op hier! Weg met die voetbal. Ga weg!”  

Zoon 1 is weer de volwassene in het geheel – kalm antwoordt hij iets –  al hoor ik niet wat. Maar de club opstandige schooiers wordt door hem ons huis in gedirigeerd. Even is het rustig, lijkt de boel gesust, maar dan komen ze weer ten tonele. Met de basketbal. Alsof er geen vuiltje aan de lucht is gaan ze wederom helemaal op in hun spel en dribbelen naar hartenlust van de ene naar de andere kant van het steegje.  Typisch autist trouwens… zeg dat hij niet mag springen op de bank en hij gaat vrolijk verder op de stoelen …

Ondertussen loopt buuf 2 giga-rood aan en ontsnappen er wolkjes stoom uit  haar oren. Over de bosjes heen geeft ze me een blik die … werkelijk waar … als het kon was ik op langdurige visite bij Lucifer geweest…  “Ze wacht op je.” Hoor ik buuf 1 fluisteren.  “Wat zou het een stunt zijn als ik nu via de andere kant naar huis loop hé”  “Nou, het is een behoorlijk aparte dame, ik weet niet wat er is met haar … “

Daar ga ik dan – ik waag onderweg nog een afleidingsmanoeuvre “He, jongens, wat zeggen jullie van wat lekkers en wat fris bij ons?” De pubers trappen erin. Buuf 2 niet.  Als een tsunami walst haar tirade over me heen.  Mijn psychologische tactiek van  ‘Oh wat vervelend voor je.’ en ‘Wat lastig dat je dat zo ervaart.’  gaat aan haar voorbij.  De vloedgolf van verwijten blijven in stormachtige golven op mijn schouders breken.  De buurjongen van de hoek trekt het niet en geeft haar een grote mond.  In een reflex zet ik mijn strenge juffenstem op, priem mijn vinger zijn kant op, zet hem op zijn nummer dat hij volwassenen zo niet aanspreekt en vertel hem met een knipoog de weg naar mijn koelkast.  De jongens verdwijnen, helaas geldt dat niet voor de stroom van verwijten aan mijn andere zijde.

“Het is toch werkelijk van den zotte dat ze hier in dit steegje moeten spelen?”  en “Bla bla bla” (Sorry er kwam ineens pieptoon waardoor ik niet alles hoorde wat ze zei.)

Anyway, ik schat in dat het geen nut heeft te argumenteren met het feit dat er nergens anders plek is, overal auto’s staan en dat de heertjes eigenlijk heel leuk en sociaal bezig waren, dat ook pubers hun ruimte nodig hebben, al is de bebouwing nog zo krap…  Dus hou ik het bij: “Ik vind het heel vervelend voor je, maar ik deel je mening helaas niet.” Oeps, fout geantwoord “Bla bla bla!” Weer reageer ik heel rustig met  “Tja,lastig, maar ik kijk er toch anders tegenaan.”  Haar ogen knijpen zich dicht, haar stem verlaagt zich dreigend en ze buigt zich met een verwijtende vinger naar me toe “De hele buurt is het met mij eens, wedden? En je kan wel met die asolui daar heulen en lopen smoezelen met die op de hoek maar weet jij wel hoe vreselijk irritant het is om iedere keer dat geluid van die stampende bal te moeten horen?”  

 

Heu? Die lieve hardwerkende buren asolui? Waarom? Omdat ze een kleur hebben? Smoezelen met de buren op de hoek? Bedoelt ze misschien die gezellige afgeslankte beer van een vent die altijd een vriendelijk woord heeft voor iedereen?

Ik moet weg voor ik … wat een … De goddelijke ingeving blijft achterwege terwijl het laatste beetje waardigheid verdampt en het vermogen om christelijk te reageren als sneeuw voor de zon verdwijnt. Ik wil me omdraaien en weglopen maar dan flapt het er toch nog net uit:  “Misschien moet je oordoppen proberen.”

 

 

zucht … dat straatfeest moet maar effe wachten …

 

Advertisements

iphone + tale kanaäns = goede preek

psalm 71Vanmorgen heb ik in de kerk de hele tijd op mijn iphone gezeten. Mogelijk dacht menigeen dat ik weer eens een nieuw verslavend spelletje was begonnen, maar nee, dat was niet het geval. De spreker was niet één van mijn favorieten. En hoewel hij qua inhoud altijd een zeer degelijke preek levert, is zijn sombere insteek en vooral ouder taalgebruik (aka tale Kanaäns) in mijn geval behoorlijk afleidend. Zoon 1 omschreef het voor de preek alsvolgt: “Oh nee, is dat die kerel die voorleest uit die hele oude vertaling en dan in die taal verder praat?”  Euh, ja, dat is die man.

Bij zin 2 – na het voorlezen van een behoorlijk ‘boeiend’ stuk uit Jeremia – fluisterde zoon 2 dat hij al was afgehaakt. Vergeef me mijn heidense kinderen, ze moeten het met mij als voorbeeld doen.

Dus, om te voorkomen dat ik de hele tijd afgeleid zou worden door de wat ouder wordende woordenschat en het puberale geschuifel en gefluister aan mijn rechterzijde, wilde ik ‘meeschrijven’. Pen en papier is zó 2013 dus sprong mijn iphone zomaar – geheel uit het niets vanuit mijn tas recht in mijn typegrage vingers.

 

Het bijbelgedeelte was al voorgelezen. Nu ben ik de laatste tijd wel aardig ‘fan’ van Jeremia vanwege zijn uitbundige klaagpartijen (iets wat bij God dus ook welkom is). Maar, tja, het gedeelte – in eerste instantie zomaar uit de context geplukt- was kaal, emotieloos, feitelijk en tja … nou niet bepaald tot mijn hart sprekend. (Jeremia 52:1-12 en 31-34)

De uitleg die volgde was wel sterk.  Echt, ik kon het alleen maar volgen omdat ik meetikte op het mini-toetsenbordje in mijn verwondde handen (heb geklust deze week). Dus hemel zij dank voor de gadgets van deze tijd.

Het boek Jeremia, en dat vooral het laatste hoofdstuk is inderdaad heel emotieloos en feitelijk. Het was de bedoeling ook niet om in dit boek te vertellen over hoe erg e.e.a was, hoeveel leed de mensen moesten ondergaan, hoeveel verdriet het deed dat … Die emoties: het huilen, het uitschreeuwen van onbegrip, het jammerlijk weeklagen, het uiten van dat wat hij en het volk diep van binnen voelde beschreef Jeremia al in het boek klaagliederen. Er was dus absoluut wél tijd en ruimte om al die negatieve gedachten en al die pijn, om dat te uiten naar God. Alleen niet in hetzelfde boek. In het boek Jeremia wil de schrijver duidelijk maken wat de feiten waren om zo te laten zien wat er werkelijk gebeurde: wat de oorzaken en het gevolg was van eea., hoe het verleden tot het heden had geleid en welk toekomstperspectief dit met zich mee bracht. Overzicht. Het boek Jeremia gaat om overzicht.

 

Is dat niet wat wij als mensen soms het meest nodig hebben wanneer we in het diepst van onze pijn zitten? Dat er én tijd en ruimte is om onze emoties te uiten maar dat er ondertussen ook feitelijk, alles op een rij gezet wordt zodat we overzicht hebben in dat wat gebeurde, hoe we tot de situatie waar we in zitten kwamen en dat we weer perspectief op de toekomst krijgen?

 

Voorafgaand aan de preek werd een stukje uit Psalm 71 voorgelezen. Jammer genoeg alleen maar het ‘leuke’ gedeelte. In deze Psalm is iemand aan het woord die zijn leven lang op God vertrouwde al ging dat niet zonder slag of stoot: Hij was in handen gevallen van wrede overheersende mannen (v4), er werd over hem geroddeld en tegen hem gespannen (v10), hij zat in levensbedreigende situaties (v11)… Hij voelde God echt niet altijd even dichtbij., hij smeekt God zelfs dat Hij niet te ver weg moest zijn, of dat God hem alsjeblieft te hulp zou komen – maw hij ervaarde geen hulp – (v11-12). Hij bidt niet om kracht zodat hij zijn vijanden kan ‘vergeven’ (oo- wat een slecht gristen – owja – het was waarschijnlijk ‘gewoon’ een Jood). Hij uit zelfs de hoop dat God zijn tegenstanders te schande zal doen staan (v13) …  Maar zodra de psalmist zijn grieven heeft geuit kan hij weer de feiten op een rij zetten. Door de feiten ziet hij weer de rode draad in zijn leven: vertrouwen in en op God.  Het is de combi van zowel de emoties als de feiten die maakt dat hij weer zicht heeft op de toekomst. Een toekomst waarin zowel emotie als hoop een plekje krijgt:

 

Mijn tong zal heel de dag van uw gerechtigheid spreken: wie mijn ongeluk zoekt, zal te schande staan. (Psalm 71:24)

 

Dit is precies de boodschap die Jeremia mij vandaag gaf – middels een door oud taalgebruik doorspekte preek.

 

(Jammer genoeg kunnen we die tekst vanavond niet zomaar op ons voetbalteam plakken :B)